Menu
Publicaties
Door Dick van Ginkel
Deel deze pagina

Een ‘fit en proper test’ voor toezichthouders in alle sectoren?

Door Dick van Ginkel | 16 december 2015
Opinie Publicatie

Sinds enkele jaren geldt in de wereld van banken en verzekeringsmaatschappijen het geschiktheidsexamen voor bestuurders en commissarissen. Als reactie op de maatschappelijk en politiek bekritiseerde rol van de banken in de krediet- en bankencrisis is dit examen ingesteld om daarmee de kwaliteit van bestuurders en de cultuur te verbeteren. Het is een pittig examen. Niet alleen de betrouwbaarheid van kandidaten wordt minutieus onderzocht, de kandidaten worden ook professioneel door deskundigen beoordeeld op verschillende competenties. Nadat het een tijdje tamelijk stil is geweest en de weerstand tegen deze beoordelingspraktijk broeide, komen zo langzaam aan de reacties uit het veld. Onlangs was bijvoorbeeld in het FD te lezen dat vooral commissarissen er grote moeite mee hebben dat hun de maat wordt genomen door, zoals een onbekend blijvende commissaris in het FD verzuchtte, “dames die de dertig nauwelijks zijn gepasseerd.”

Kwaliteit en betrouwbaarheid

Ook in de wereld van de woningcorporaties geldt sinds 1 juli jl. een zwaar beoordelingskader voor bestuurders en commissarissen, de zogenaamde ‘fit en proper test’, vrijwel identiek aan die bij de banken en verzekeringsmaatschappijen. De betrouwbaarheid (‘properheid’) van kandidaten wordt onderzocht aan de hand van een gedetailleerde, negen pagina’s tellende vragenlijst naar feiten en omstandigheden zowel in het criminele, bestuurlijke als belastingtechnische domein. Zaken die gespeeld hebben in het verleden dan wel in de toekomst kunnen optreden en van invloed zijn op de betrouwbaarheid van kandidaat-commissarissen en bestuurders.

De kwaliteit en deskundigheid van kandidaten (‘fit’) worden beoordeeld aan de hand van ervaringen en competenties. Voor commissarissen bijvoorbeeld: authenticiteit, bestuurlijk inzicht, maatschappelijke sensitiviteit, onafhankelijke oordeelsvorming, vakinhoudelijke kennis en visie en zelfreflectie. En die beoordeling vindt onder meer plaats aan de hand van een stevig interview door drie professionals van de Autoriteit Woningcorporaties.

Ook hier komen de eerste reacties van commissarissen over hun ervaringen met deze procedure langzaam los. Daarbij valt mij op dat er een groep commissarissen is - veelal de wat jongeren - die in het geheel geen probleem heeft met deze nieuwe wijze van beoordeling. Zij spreken over een goed,stevig gesprek waarin op professionele wijze geprobeerd wordt deskundigheid en passendheid in beeld te krijgen.

Maar er is ook een groep die meer reageert op de manier zoals hiervoor door een bank-commissaris werd geciteerd: “Het zijn snotneuzen die graag bewijzen de STAR-interview techniek te beheersen.’

Om

Ik heb lange tijd de invoering van de ‘fit en proper test’ beoordeeld als een doorgeslagen reactie op de gebeurtenissen in de sector en een onwenselijke verdere bureaucratisering waarvan de kosten ook nog eens door de woningcorporaties zelf opgebracht moeten worden. Maar ik ben om!

Zolang er nog commissarissen zijn die een professionele beoordeling van hun kwaliteiten op belangrijke competenties afwijzen en opzien tegen een externe verantwoording van hun passendheid voor een toezichthoudende functie, is er nog veel te doen! En daarom ben ik nu voor een ‘fit en proper test’ voor alle bestuurders en commissarissen in alle maatschappelijke sectoren: Zorg, Welzijn, Onderwijs etcetera. Laat het een impuls zijn om de kwaliteit van bestuurders en commissarissen te
verhogen en een nieuwe cultuur van aanspreekbaarheid te versterken.

Twee dingen in de richting van de beoordelende autoriteit moeten me wel van het hart. Ik heb begrepen dat een positieve beoordeling van de instanties maximaal geformuleerd wordt als:”Wij hebben geen argumenten kunnen vinden die een benoeming in de weg staan.” Ik zou willen oproepen om dat na zo’n uitbreide test wat enthousiaster te formuleren. En als tweede ben ik benieuwd hoe de beoordelende instanties hun eigen toekomst zien. Wat als de impuls aantoonbaar gewerkt heeft en de kwaliteit en cultuur ten goede zijn ontwikkeld? Het zal toch niet zo zijn dat de instanties zich dan in het kader van eigen overleving blijven handhaven
en in dat kader de fijnmazigheid van hun bemoeienis alleen maar verder ontwikkelen?

Horizonwetgeving zou hier een oplossing voor zijn. ‘We doen dit tot en met die en die datum, op dat moment vervallen ze. Als we daarna verder willen moet er een nieuwe wet gemaakt worden’. Dat zou dan ruimte bieden aan een openbare discussie waarin we de effecten kunnen beoordelen en ons opnieuw kunnen afvragen of en zo ja wat er nodig is voor de toekomst.

Dick van Ginkel

Reacties