Menu
Publicaties
Door Dick van Ginkel

De ‘uncanny valley’ van veranderingsprocessen?

De Japanse wetenschapper Masahiro Mori ontdekte de laatste jaren iets opmerkelijks bij zijn studie naar menselijke gelijkenis van robots. Hoe meer robots op mensen gaan lijken, hoe meer mensen zich daartoe voelen aangetrokken. Maar alleen tot aan een zeker punt. Als een ‘androide’ te realistisch en levensecht wordt, voelen mensen zich ongemakkelijk, ontwikkelen weerzin en reageren negatief. Het probleem is volgens Mori terug te leiden naar de manier waarop wij robots identificeren.

Als een robot of androide vrijwel helemaal niets menselijks heeft (kent u nog R2-D2 uit de serie Starwars?) begrijpen we direct de kunstmatigheid ervan. Het maakt ons niet uit dat R2-D2 voor maar een klein deel ‘mens lijkt’. Maar als een robot of androide voor 99% echt op een mens lijkt, zoveel gelijkenis vertoont dat je bijna zou denken dat het een echt mens is, focussen we op de 1% die we missen. We zien de lichte afwijking aan de vorm van het ‘lichaam’, het ontbreken van glittering in de ogen etc. Wat eerst een leuke robot leek (‘cute thing’ ), wordt plotseling een kunstmatig lichaam (‘animated corpse’). Onze genegenheid en warme gevoelens, die toenamen naarmate de robot meer op een mens begon te lijken, zakken in een klap beneden nul. Mori noemt dit punt, dit vervallen in weerzin met alle negatieve reacties die daarbij horen, de “Uncanny Valley”: het paradoxale punt waar een simulatie van het leven zo perfect wordt dat het daarmee negatief uitpakt.

Makers van videospelletjes maken al druk gebruik van de theorie van Mori. In veel spelletjes zijn de figuren inmiddels zo levensecht geworden dat ze soms enger zijn dan de zombies die in het spel verslagen moeten worden. En dus moeten de hoofdrolspelers in de spelletjes net iets minder menselijk lijken (net voor de 1e top in de curve van Mori) of perfect menselijk zijn (voorbij de ‘uncanny valley’ op de stijl omhooglopende curve), maar dat is ondanks de kracht van computers niet mogelijk en in zichzelf wellicht ook een paradox.

Wat ik me nu afvraag is of de curve van Mori ook van toepassing zou kunnen zijn op de reactie van mensen op veranderingsprocessen. Is het niet zo dat we vaak aannemen dat naarmate de veranderingsplannen meer ‘lijken’ op mensen, meer op mensen zijn toegesneden, we aannemen dat de reacties daarop positief zullen zijn en steeds positiever worden? Een recht evenredige verhouding dus tussen de ‘menselijkheid’ van de
plannen en de positieve reactie daarop. Maar zou het zo kunnen zijn dat er een punt is waarop mensen juist
weerzin gaan ontwikkelen, terugvallen in hun positieve waardering van die plannen, genegenheid en warme gevoelens verliezen? Als we nog even bij de theorie van Mori blijven zou dat punt te maken hebben met de fixatie op die 1% die we missen. De afwijking die we zien, de dingen die we missen, krijgen de overhand, en leiden tot de negatieve reactie.

Ik denk dat een vrije interpretatie van de ‘uncanny valley’ van veranderingsprocessen kan zijn het moment waarop mensen de daadwerkelijke consequenties van de verandering onder ogen zien. Het moment waarop het ‘echt’ wordt, persoonlijk, onontkoombaar qua gevolgen voor je eigen functie, persoon, gedachtegoed, identiteit. Een plek die door anderen wel eens ‘de plek van moeite’ genoemd wordt. Waar je tegen jezelf aanloopt, in conflict lijkt te komen met diepe waarden, opvattingen. En waar je vaak als eerste reactie graag van zou willen weglopen omdat de strijd aangaan met jezelf zwaar oogt.

Zo doorredenerend zou ieder veranderingsproces ermee gediend zijn om het bestaan van die ‘uncanny valley’ te realiseren. En als die er niet lijkt te zijn maar aan te nemen dat die dan nog moet komen. Het besef van die onaangename plek is de eerste stap naar acceptatie van verandering. Ruimte bieden aan mensen om hun diepste gevoelens over de verandering, en waar die vandaan komen, te uiten en op te reflecteren lijkt een must voor iedere interventionist. De ‘uncanny valley’ als onvermijdelijk tussenstation in de ontwikkeling van verandering. Een ogenschijnlijk dieptepunt, maar onmisbaar en onontkoombaar voor de persoonlijke
groei. Een plek waar, als je er eenmaal een keer bent geweest en doorheen bent gegaan, je naar terug gaat verlangen.